nieuws

Standpunt bijvoeren in natuurgebieden

In vrijwel alle gebieden van Natuurmonumenten met begrazing gaat het om graasdieren die als gehouden dieren worden ingezet of als niet gehouden wilde grazers in natuurgebieden leven. Alleen in het Nationaal Park Veluwzoom vallen de ingezette runderen (Schotse Hooglanders) onder de A-status vgl. de Leidraad Grote Grazers (LNV 2000). en hebben daarmee een status van "niet gehouden" wildlevende runderen. Daarmee hebben ze dezelfde status als de wildlevende edelherten, damherten, reeën en wilde zwijnen.

Begrazingsbeheer in de winter:

Voordat grote grazers worden ingezet met doel de biodiversiteit in de natuurgebieden te behouden of te herstellen worden vooraf een aantal afwegingen gemaakt ten aanzien van de volgende zaken:

  • beschikbaarheid van voedsel in de winter
  • winterhardheid van de grazer
  • inrichting van het gebied als geschikt leefgebied
  • doel van de begrazing
  • inzetbaarheid van dieren door derden

Indien het natuurlijke voedselaanbod in de winter onvoldoende is wordt er uitsluitend begrazing in de zomerperiode toegepast of wordt het gebied vergroot zodat er wel begrazing in de winter mogelijk is. Dit om bijvoeren te voorkomen.

Natuurmonumenten zet bij winterbegrazing zoveel mogelijk dieren in die winterhard* zijn zoals Schotse Hooglanders, Galloway-runderen, konikpaarden, shetlandponies, IJslandse paarden en diverse rassen van heideschapen.
De inrichting van een begraasd gebied is zodanig dat er voor de graasdieren in de winter de mogelijkheid bestaat om voedselgebieden (water en plantaardig voedsel) goed bereikt kunnen worden.

Het begrazen van natuurgebieden in de winter moet een meerwaarde tav het gewenste natuurdoel beteken in vergelijking met het uitsluitend in de zomer begrazen. Indien derden in gebieden van Natuurmonumenten ’s winters grazen dan worden in principe dezelfde eisen gesteld aan het gebied en graasdieren.

Bijvoeren wilde grazers

In natuurgebieden van Natuurmonumenten worden wilde grazers (ree, edelhert, damhert, wild zwijn) in de winter niet bijgevoerd. Bijvoeren is voor de wilde grazers in Nederland (behoudens extreme winters) in het algemeen niet nodig, omdat alle dieren zonder problemen ten aanzien van conditie, gezondheid en overleving de winter doorkomen. Ook in de winter van 2009\2010 is gebleken dat alle wilde dieren in goede conditie en gezondheid zijn.

Voeren is alleen aan de orde om dieren tijdelijk met minimale hoeveelheden voedsel te lokken (tbv tellingen, afschot). In de Faunabeheerplannen wordt dit uitdrukkelijk opgenomen, inclusief   de maximale hoeveelheden voer.
Nadelen van bijvoeren zijn dat de populaties een te hoge reproductie verkrijgen waardoor het aantal dieren steeds verder toeneemt. Hiermee wordt de natuurlijke draagkracht van een gebied op onnatuurlijk wijze vergroot en zal er op een gegeven moment deze draagkracht overschreden worden en de kans op verzwakking en sterfte toenemen dan wel er meer schade aan gewassen en er meer verkeersslachtoffers gaan vallen. Omdat te voorkomen zou er weer extra afschot noodzakelijk zijn hetgeen we juist niet wenselijk achten.
 
Bijvoeren heeft tevens tot gevolg dat de sterkste dieren het aangereikte voedsel benutten en niet ten goede komt van de zwakkere dieren en derhalve niet het doel dient waarvoor bijvoeren bedoeld was. Ook wordt het sociaal gedrag van de dieren ernstig verstoord en kan er veel stress bij de dieren ontstaan die ook weer nadelig is voor het welzijn van de dieren.

Bijvoeren van grote wilde dieren is overigens  wettelijk niet toegestaan conform artikel 74 a  van de Flora- en Faunawet:

Artikel 74a

1. Het bevorderen van de stand van edelherten, damherten, reeën en wilde zwijnen door middel van bijvoeren is verboden.

2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien sprake is van:

a. bijzondere weersomstandigheden of

b. een tijdelijk natuurlijk voedseltekort en het welzijn van de dieren in het geding is.

Het betreft hier het bijvoeren ‘ter bevordering van de stand’ . De provincie dient deze ontheffing te verlenen en moet eerst een afweging worden gemaakt of er sprake is van bijzondere omstandigheden en een tijdelijk natuurlijk voedseltekort en het welzijn van de dieren in het geding is.
De provincies laten zich –net zoals bij de sluiting van de jacht afgelopen weken- daarbij adviseren door de Faunabeheereenheden.
Voor zover bekend heeft geen enkele provincie een ontheffing afgegeven om bijvoeren toe te staan.

De besturen van Faunabeheereenheden bestaan uit vertegenwoordigers van natuurbescherming, particulieren grondeigenaren, jacht én landbouworganisaties. Aangezien er geen ontheffingen zijn verleend zijn deze partijen kennelijk  gezamenlijk van mening dat grote wilde hoefdieren in Nederland  geen honger lijden en bijvoeren dus niet nodig wordt geacht.

Bijvoeren gehouden dieren

In ca. 25 gebieden van Natuurmonumenten vindt winterbegrazing met gehouden schapen, runderen en paarden plaats. Ook hier geldt dat bijvoeren in principe niet plaats vindt, maar dat uit oogpunt van zorgplicht voor gehouden dieren er preventief maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat deze dieren in de winter hulpbehoevend worden. Dit betreft het voorafgaand aan het introduceren van grazers beoordelen of het gebied wel geschikt voor winterbegrazing en of het voedsel en water wel beschikbaar en bereikbaar is. Ook wordt bepaald of winterbegrazing wel een meerwaarde ten aanzien van biodiversiteit heeft in vergelijking met zomerbegrazing.

Uit de monitoring (al of niet met een dierenarts) van de gehouden grazers is gebleken dat er tijdens de huidige winter nergens sprake is van een tekort aan voedsel en vermindering van de conditie resp. gezondheid van de dieren.
In een zeer beperkt aantal gebieden vindt enige bijvoedering plaats, maar dit bijvoeren heeft primair tot doel om de dieren te lokken. Dit lokken kan alleen in de winter om van de dieren bloedmonsters te kunnen nemen en/of oormerken aan te brengen om ze te kunnen opnemen in het I&R-systeem.   Ook kan lokvoer gegeven worden om de dieren weg te lokken naar gebieden zonder wegen of tuinen om schade te kunnen voorkomen.

Dieren van derden die ‘s winters  in gebieden van Natuurmonumenten grazen vallen primair onder verantwoordelijkheid van derden. In dergelijke situaties kan soms bijvoeren plaats vinden. In een paar gevallen is er sprake van dat de begraasde gebieden te klein zijn of er te weinig wintervoedsel aanwezig is. Dan worden de dieren bij afwezigheid van stalruimte soms bijgevoerd.

Enkele feiten:

In een groot aantal natuurgebieden van Natuurmonumenten (80 gebieden) worden schapen (2600), runderen (4570) en paarden (660) ingezet voor begrazingsbeheer. Ca. 80% van deze dieren zijn eigendom van derden zoals agrariërs, stichtingen e.d. In slechts een deel vindt begrazing plaats in de winter (25 gebieden). In het overgrote deel (55 gebieden) zijn de grazers alleen in de zomer aanwezig.

Daarnaast leven er in gebieden van Natuurmonumenten ook wilde herbivoren als edelhert, damhert, ree en wild zwijn.  (o.a. Veluwe, kustduinen van Zeepe, Kennermerduinen). Reeen leven verspreid door heel Nederland.

In een zeer beperkt aantal gebieden met winterbegrazing heeft in de huidige winter bijvoerdering plaats gevonden tbv afschot, bloedonderzoek, registratie en weglokken van gevaarlijke locaties.
 

word nu lid