Insecten op het menu

Insecten vormen voor veel dieren de hoofdmaaltijd. Die zijn vaak de hele dag naarstig op zoek naar de vliegende of gravende beestjes. Hier volgt een selectie van een aantal insecteneters.

Zonnedauw

Dit is ronde zonnedauw, steeds zeldzamer maar van de drie soorten nog de meest voorkomende in Nederland. En levensgevaarlijk voor insecten. De plantjes vangen die met hun kleverige tentakels op de blaadjes. Aan de uiteinden daarvan zitten klieren die vochtdruppeltjes produceren, de ‘dauw’. Daarmee lokken ze insecten. Eenmaal geland en vastgeplakt, rolt het blad zich om de buit. En uit het insect haalt zonnedauw voedingsstoffen die in de bodems waar ze groeien nauwelijks voorkomt.

De egel behoort tot de orde der insecteneters, kleine zoogdieren die al miljoenen jaren lang insecten eten. Daarvoor scharrelt de egel de hele nacht rond en peuzelt met zijn 36 tandjes bijna alle insecten op die hij tegenkomt.

Vleermuizen jagen allemaal op hun eigen manier. Zo zitten ze elkaar niet in de weg. De watervleermuis scheert vlak over het water en de grootoorvleermuis grist insecten van bladeren. Een laatvlieger vliegt op een hoogte van vijf tot tien meter en de rosse vleermuis daar weer boven. Deze gewone dwergvleermuis vliegt weer lager dan die twee en vangt wel 300 mugjes en motjes per nacht.

Het paapje is een insecteneter die je nog maar zelden ziet. De vochtige hooilandjes met veel kruiden waar ze zo van houden, zijn op veel plekken vervangen door strakke graslanden of maïsvelden. Op landgoed Velhorst (Gld) keren we dat om. Daar herstellen we bloemrijke hooilanden en die trekken veel insecten aan. Dat zijn welkome hapjes voor het paapje en andere insecteneters.

Met zijn kleverige tong die hij wel tien centimeter kan uitsteken, haalt de groene specht zijn dagelijkse kost op: een flinke portie mieren. Voorheen waren dat vooral rode bosmieren, maar hij heeft zijn menu weten uit te breiden met zwarte miersoorten.

Weidevogelkuikens kunnen nog niet zoals pa en ma hun snavel in de bodem steken om wormen en larven te pakken. Zij moeten het de eerste weken doen met insecten die ze op snavelhoogte kunnen vangen. Een kritieke fase die ze alleen overleven als ze genoeg insecten kunnen vangen.

De boerenzwaluw voedt zich vooral met enorme hoeveelheden muggen die hij in volle vlucht vangt. Een op en top luchtacrobaat, die vroeger met groot gemak twee legsels per jaar grootbracht. Door gebrek aan insecten gebeurt dat steeds minder.

Bijenwolf

Alleen het vrouwtje jaagt. Ze kan (honing)bijen dankzij gevoelige reukzintuigen van andere insecten onderscheiden. Ze verlamt haar prooi door hem enkele keren te steken. Vervolgens brengt ze de prooi naar het nest, waar hij wordt opgegeten door haar larven. Leefgebied: maximaal 500 meter vanaf het nest in zuidelijke richting Voedsel: (honing)bijen Beweging: vliegt laag over planten, kan nest terug vinden doordat ze de omgeving in haar geheugen prent.

logo