Nieuws van de boswachter

Zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw ontdekken nieuwe broedgebied Neeltje Jans

24 APRIL 2018 | Paul Begijn

Het duingebied op Neeltje Jans langs de N57 heeft een grote aantrekkingskracht op kustvogels. Een paar maanden na het verwijderen van duindoorn en wilgenstruweel hebben verschillende koppels zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen zich gesetteld in het natuurgebied. Het open houden van het duingebied is volgens terreinbeheerders Het Zeeuwse Landschap en Natuurmonumenten belangrijk om de meeuwenkolonie voldoende broedplekken te kunnen bieden.

Zilvermeeuw op Neeltje Jans. Foto Rene Koster

“Het gaat slecht met de grote meeuwensoorten in de Zuidwestelijke delta”, vertelt ecoloog André Hannewijk van Natuurmonumenten. “Door verstoring, recreatieve druk en predatie van de vos staan soorten als de zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw onder druk. Hun aantallen zijn de afgelopen jaren plaatselijk sterk afgenomen. Neeltje Jans vormt een belangrijke broedlocatie voor meeuwen. Omdat meeuwen typische grondbroeders zijn van open duingebieden is het belangrijk om duindoorn en wilgenstruweel te verwijderen.” De werkzaamheden zijn in het najaar van 2017 uitgevoerd met de subsidie ‘soortenbeleid’ van de provincie Zeeland.

Lepelaars

De aanwezigheid van meeuwenkolonie op Neeltje Jans heeft ook een aantrekkingskracht op de lepelaar. In de buurt van de broedplek van de meeuwen broeden ook jaarlijks tientallen lepelaars. Hannewijk: “Lepelaars verblijven graag in de nabijheid van broedende zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen. Het geschikt maken van het open duingebied als broedlocatie voor meeuwen heeft daarom ook een positief effect op het aantal lepelaars in het Oosterschelde gebied.” Om er voor te zorgen dat het gebied niet meteen weer terug dichtgroeit, vindt er jaarlijks een maaironde plaats na het broedseizoen. Ook vindt er extra toezicht plaats op loslopende honden. “Een loslopende hond in een meeuwenkolonie kan grote gevolgen hebben. Nesten worden verlaten en kuikens sterven. Daarom is absolute rust nodig in het gebied.”

 

Paul Begijn