Nieuws van de boswachter

Boeren zonder stikstofuitstoot: melkveehouder John is klaar voor de toekomst

24 augustus 2022 | Frans Bosscher

De stikstofplannen van het kabinet roepen veel vragen op. Melkveehouder John Arink werkt al dertig jaar zo dat hij vrijwel geen stikstof uitstoot. Wat hem betreft is hij dan ook klaar voor de toekomst.

Duurzaam boeren John Arink

Begin jaren negentig nam John Arink het boerenbedrijf van z’n vader over. Maar dat niet alleen. Z’n vaders besef dat de schaalvergroting en intensivering een doodlopende weg was, knoopte hij ook in z’n oren. Nadat de boerderij, die al vele generaties in de familie was, verplaatst werd in een ruilverkaveling, besloot John dan ook al snel om over te stappen op een biologische bedrijfsvoering. Samen met z’n vrouw Liane, zoon Tim en schoondochter Annerein runt hij het bedrijf, dat net buiten Lievelde (Gelderland) ligt. Ze melken 50 koeien. De kalveren gaan niet naar een kalverhouderij, maar blijven 2,5 jaar op het bedrijf. Een deel wordt dan melkkoe, de rest gaat naar de slager. In totaal gaat het om 120 jonge koeien. De melkkoeien grazen op de percelen bij de boerderij; het jong- en vleesvee graast iets verderop, in de graslanden bij Natura2000-gebied het Korenburgerveen, die John pacht van Natuurmonumenten.

Geen zorgen

Menig boer zou nu slapeloze nachten hebben als z’n bedrijf zo dicht bij een Natura 2000-gebied ligt. In de plannen van het kabinet moet juist bij deze gebieden de uitstoot van stikstof drastisch naar beneden, soms met meer dan 90 procent. Maar John maakt zich geen zorgen. “De koeien op die percelen halen stikstof uit het gras, met de mest komt het weer op het gras. Per saldo komt er dus geen gram stikstof bij. Wat er niet in gaat, komt er niet uit.” Voor het hele bedrijf komt John wat betreft stikstof ook erg laag uit: 90 kilo per hectare. De norm in Europa is 170 kilo per hectare, maar ons land heeft lang een uitzonderingspositie gehad – waar nu wel een eind aan lijkt te komen – waardoor er 230 tot 250 kilo per hectare mag worden uitgereden. Dat John zo ver onder die normen ligt, komt doordat hij geen krachtvoer voor de koeien aankoopt en hij de grasgroei niet stimuleert met kunstmest. Bovendien grazen z’n melkkoeien meer dan 4.000 uur per jaar buiten. Ter vergelijking: bij boeren die voor het keurmerk ‘Weidemelk’ in aanmerking willen komen, zijn de koeien minimaal 720 uur per jaar buiten. Omdat Johns koeien maar enkele maanden op stal staan, hoeft hij geen grote berg mest weg te werken. Hij gebruikt de mest op z’n weilanden en op de akkers die hij ook van Natuurmonumenten pacht. “Mooie esgronden, waar misschien al duizend jaar op geboerd wordt. We verbouwen er in een drieslagstelsel hakvruchten, zoals aardappelen, luzerne en andere gewassen die stikstof uit de lucht binden, en granen zoals rogge en spelt. Een deel van het graan gaat naar de koeien, een ander deel naar de bakker die er heerlijke broden van bakt.”

Gevlekte orchis

Zo komt John al aardig in de buurt van het kringloopbedrijf dat hij nastreeft. Met enkele collega-boeren die ook een bedrijf naast een Natura 2000-gebied hebben, presenteerde hij voorstellen aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. “Zoals wij werken, zijn er geen problemen met stikstof voor de natuur. Boerenbedrijven blijven bestaan en wij kunnen ons als boeren blijven inzetten voor het beheer van natuurgebieden.” John heeft ook wel ideeën waar het geld dat het kabinet voor innovatie uittrekt aan besteed kan worden. “Om de kringloop helemaal te sluiten, moet je ook humane mest – onze poep zeg maar – hergebruiken. Daar zitten haken en ogen aan. Het is verontreinigd met medicijnen, hormonen, chloor, noem maar op. Ga onderzoeken hoe je dat eruit kunt krijgen. Nu wordt het verbrand. Zonde.” Dat het uitrijden van weinig mest, en dus van stikstof, goed is voor de biodiversiteit ziet hij in de graslanden bij het Korenburgerveen. “Ik ken niet al die bloemen, maar de gevlekte orchissen herken ik wel, omdat ze zo mooi zijn. De kraanvogels die in het veen broeden, komen op de graslanden voedsel zoeken; dit jaar zijn er zeven jongen grootgebracht. In de randen scharrelen patrijzen. En de hoop is dat de ortolaan ook terugkomt. Dit vogeltje hoort bij het kleinschalige landschap.”

Opvolger

Samen met collega-pachters en boswachters van Natuurmonumenten volgde hij de cursus ‘Van Pachter naar Partner’. “De schellen vielen van m’n ogen. Ik ben toch best bewust bezig met de natuur, maar realiseerde me nooit hoe fragiel de relaties tussen planten en dieren zijn. En dus ook hoe gemakkelijk je het beschadigt. Dat schimmels onder de grond bomen niet alleen van voedingsstoffen en water voorzien, maar ook communicatie tussen bomen mogelijk maken, vind ik ongelooflijk. Het bevestigt me ook zeer in de keus om geen pesticiden te gebruiken.” Maar kun je op zo’n boerderij, die minder produceert, wel een inkomen verdienen, is al gauw een vraag die opkomt. Ja, zegt John onomwonden. “We kunnen er met twee gezinnen goed van leven. Dat komt doordat we de kosten heel laag houden, door het biotel (een ‘hotel’ op het erf met vijf kamers, red.) en de rechtstreekse verkoop via de boerderijwinkel; daar verkopen we onder andere het vlees van onze koeien. Daarnaast doen we veel aan voorlichting en educatie. Zo hebben leerlingen van twee basisscholen uit de omgeving hier hun tuintjes. Wij kunnen zo vooruit. En het is mooi dat m’n opvolger al meedraait.”

Meer over duurzaam boeren

Frans Bosscher
logo