Nieuws van de boswachter

Droogte, de genadeklap voor de natuur

16 december 2020 | Natuurmonumenten

Droogte is funest voor de natuur. De leefgebieden van veel planten en dieren stonden al onder druk. Ze zijn te klein, er is sowieso te weinig water, er komt te veel stikstof naar beneden. En dan kunnen weken van hoge temperaturen, zoals in de afgelopen zomer, zomaar de genadeklap zijn.

tureluur

Het gaat al jaren niet goed met de tureluur. Net als andere weidevogels hebben ze natte, kruidenrijke graslanden met glooiende slootkanten nodig, waar pas in juni of juli voor het eerst gemaaid wordt. Zulke omstandigheden zijn er minder en minder. Daar komen de periodes van extreme droogte nog eens bij. De oudervogels kunnen in de harde bodems maar moeilijk regenwormen en ander voedsel vinden. Niet alleen zakken wormen met het water dieper de bodem in, de droogte maakt de bodem ook keihard. Voor de jongen die toch uit de eieren kwamen, zijn er vervolgens nauwelijks insecten. Ze zijn bovendien een makkelijke prooi voor roofdieren. 2020 gaat de boeken in als een desastreus weidevogeljaar.

Kamsalamander

Stilstaand, helder water met waterplanten. Poelen bijvoorbeeld. Die moeten in een bosrijke omgeving liggen, maar niet volledig in de schaduw. En er moet eigenlijk altijd water in staan. Dat is wat een kamsalamander nodig heeft om zich voort te planten. Maar als de poelen droogvallen onder een schroeiende zon en weken zonder regen, is het wel over en uit. De ruim tweehonderd eitjes die een vrouwtje legt, zullen geen kamsalamanders worden. In ons land komen deze amfibieën nog voor in Zeeland en op de zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland. Vooral langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen zijn er nog geschikte leefgebieden. Nog wel.

Kamsalamanders

IJsvogel

Dankzij de zachte winters ging het de laatste jaren best goed met de ijsvogel. Maar nu krijgt hij ineens een nieuwe uitdaging voor de kiezen: droogte. Hoe zit dat? De ijsvogel is volledig afhankelijk van water. Want daarin zitten de visjes die hij eet. Het liefst op een tak boven het water speurt hij naar langskomende visjes om er vervolgens als een speer op af te duiken. Met z’n prooi gaat-ie weer op de tak zitten, slaat hem dood en laat hem naar binnen glijden. Maar ja, als er geen water is, is er niks te vangen. Ook niet voor de jongen die in de oever in een nest wachten op eten.

ijsvogel

Beekprik

De beekprik ziet eruit als een kleine paling. Hij heeft een opmerkelijke, ronde bek. Daarmee kan hij niet eten. Hij kan er wel steentjes mee verslepen om een nestkuil te maken. Dat doet hij in het vroege voorjaar. Het vrouwtje zet daarin haar eitjes en het mannetje zet daarin z’n zaadcellen af. De beekprikken gaan daarna binnen een paar dagen dood. De bevruchte eitjes zakken tussen het grind weg, veilig voor andere vissen. Als de eitjes uitkomen, laten de larven zich met het water meestromen naar een luwe plek, waar ze wegkruipen in ophopingen van bladeren. Daar blijven ze zes tot negen jaar zitten en veranderen dan in de beekprik zoals we die kennen, met ogen en die merkwaardige mondschijf. Een half jaar later planten ze zich voort en zit het leven er alweer op. Al tientallen jaren gaat het aantal beekprikken achteruit door het verdwijnen van natuurlijke beken. Nu die ook nog droogvallen, ziet het er voor veel populaties slecht uit.

3x droogteprofiteurs

Naast de vele soorten die het slecht verdragen, zijn er ook dieren die juist baat hebben bij droogte. Neem de sabelsprinkhanendoder. Deze grote graafwesp is klimaatmigrant. Hij komt van oorsprong in Zuid-Europa voor, maar nu het bij ons warmer en droger wordt, vindt hij hier ook geschikte leefgebieden, onder meer op oeverwallen langs rivieren. Ook akkerviooltje en driekleurige viooltje hebben het graag droog. Dan krijgen ze de ruimte, omdat veel grassen in akkerranden en bermen het juist moeilijk hebben. Meer viooltjes betekent meer kleine parelmoervlinders, want op deze planten zetten ze hun eitjes af. Het is een van de weinige vlindersoorten waar het beter mee gaat. Nog een liefhebber van droge, zandige bodems is de blauwvleugelsprinkhaan. Geluid maakt hij niet en door z’n zandkleurige camouflage is hij ook niet te zien. Totdat hij ineens opspringt en z’n zachtblauwe achtervleugels uitslaat. Het aantal waarnemingen is de laatste jaren bijna verdubbeld.

Kleine parelmoervlinder

Kleine parelmoervlinder

Natuurmonumenten
logo