Om je beter en persoonlijker te helpen, gebruiken wij cookies en vergelijkbare technieken. Met de cookies volgen wij en derde partijen jouw internetgedrag binnen onze site. Hiermee tonen we advertenties op basis van jouw interesse en kun je informatie delen via social media. Als je verdergaat op onze website gaan we ervan uit dat je dat goedvindt. Meer weten en instellingen.

Nieuws van de boswachter

Valt er nog wat te snacken?

10 september 2019 | Wilco Meijers

Herfst! Het is de tijd van de oogst in de natuur. De tijd van rijpheid, van overvloed. Overal vallen vruchten, winterslapers eten zich rond, vogels vetten zich op. Zo gaat dat al duizenden jaren. Maar door de afname van bloemen en insecten en het veranderende klimaat valt er niet altijd genoeg te oogsten.

eekhoorn

Altijd leuk om te zien, die nijvere eekhoorns in het najaar. Dan eten ze extra veel om een vetreserve aan te leggen voor de winter, met dank aan de vele eikels, nootjes en andere vruchten in deze tijd. En er blijft genoeg over om te verstoppen voor latere tijden. Met hun fijne neus vinden de knaagdieren hun winterkost weer terug.

De hazelmuis pakt het nog wat steviger aan. Die eet zich helemaal rond en verdubbelt in de herfst zijn gewicht. Daarna bouwt het ‘mini-aapje’ uit Limburg een nest om zo’n zes maanden onder zeil te gaan. Pas in april ontwaken de diertjes uit hun winterslaap. Vooraf voldoende eten is essentieel; wie dat nalaat sterft van de honger.

Should I stay or shoud I go?

Voor vogels gelden andere regels. Zij staan voor de keuze: ‘should I stay or shoud I go?’ Een flinke groep houdt het bij het eerste. Deze blijvertjes bouwen in de oogsttijd een vetreserve op. Bessen, zaden en noten vormen hiervoor een prima basis. Zolang de voorraad strekt natuurlijk. Zo was het bessenaanbod vorig jaar nogal pover door de zomerse droogte. Besseneters hadden het zwaar.

Overschakelen op ander voedsel is een andere strategie. De baardman verandert hiervoor zelfs zijn complete spijsverteringsstelsel. ’s Zomers geschikt voor de vertering van insecten, ’s winters voor zaden van riet.

De baardman is een blijvertje.

De baardman schakelt 's winters over op zaad.

Naar het zuiden

Andere vogels zoeken hun heil in het zuiden. Neem Amalia, de beroemdste grutto van ons land. Die is vernoemd naar het Spaanse dorp Santa Amalia in de provincie Extremadura, waar het mannetje in 2013 een zendertje heeft gekregen. Sindsdien weten we waar hij uithangt. Ieder najaar verlaat hij zijn Friese broedgebied voor een 1200 kilometer lange trektocht naar de West-Afrika. Daar vindt Amalia voedsel te over. Aan het einde van de winter keert hij weer terug naar Skrins, waar onze boswachters Amalia komend voorjaar voor de zesde achtereenvolgende keer hopen te verwelkomen.

Zo zijn er talloze trekvogels die hun koude, voedselarme omgeving halfjaarlijks omruilen voor een warmer en voedselrijker gebied. Van piepkleine goudhaantjes tot imposante kraanvogels.

Wintergasten

Nederland is op zijn beurt weer gastland voor miljoenen wintergasten die in het hoge noorden broeden. Ganzen bijvoorbeeld. Ze komen in steeds grotere aantallen en blijven steeds langer. De dieren profiteren van de moderne landbouw, dat veel eiwitrijk gras produceert.

Maar niet iedere vogel is zo gebekt. Neem de kleine zwaan, een prachtig maar kwetsbaar zwaantje. Wereldwijd leven er nog hooguit 15.000 van, waarvan er zo’n 10.000 in Nederland overwinteren. Onder meer in onze gebieden zoals De Rijskampen (N-Br), het Zwarte Meer (Ov) en de Veluwemeerkust. Daar eten ze veel energierijke wortelknolletjes van waterplanten en oogstresten op akkers. Als dat op is, schrapen ze hun kostje bij elkaar in vochtig boerenland. Vanaf februari vliegen ze in etappes weer terug naar de broedgebieden op de Russische toendra’s, waar ze in mei arriveren.

Kleine zwaan

Nederland is voor de kleine zwaan een belangrijke overwinteringsplek.

Twijfelaars

En dan zijn er nog de twijfelaars. Soorten die soms wel, soms niet vertrekken. De ooievaar bijvoorbeeld. Vroeger een trekvogel bij uitstek, maar vanwege de zachte winters vliegen ze nu zomaar over de kerstmarkt. Zeker een derde van de populatie blijft tegenwoordig hier. Zolang het niet vriest en er uit de bodem of elders nog genoeg te halen valt.

Zo zijn er meer soorten die ’s winters blijven hangen: tjiftjaf, zwartkop, grote stern, bontbekplevier, lepelaar en kleine zilverreiger. Incidenteel kun je op een winterwandeling zelfs een regenwulp of gele kwikstaart tegenkomen.

Zaad

Planten hebben hun eigen overwinteringsstrategie. Eenjarige planten sterven al in de herfst. Hun zaden overwinteren in de bodem. Tweejarigen overwinteren nog een jaar. Ondergronds slaan de wortels voedsel op, bovengronds zitten de bladeren in een kring dicht op elkaar. Het zaad dat in het tweede jaar wordt gevormd overwintert in de bodem. En meerjarige planten zoals bomen lasten in koude tijden een groeipauze in, om in het voorjaar verder te gaan.

Koninginnekruid

Koninginnekruid vol zaad in oktober.

Maar of je nu een eenjarige, tweejarige of meerjarige plant bent, het produceren van zaad voor volgende generaties is essentieel voor je voortbestaan. Dus is het zaak om veel zaad te produceren. En dat is weer voedsel voor dieren. De gewoonste zaak van de wereld. Zo gaat dat in de natuur.

Klimaatverandering

Toch raakt die oeroude cyclus uit balans. Onder meer door klimaatverandering, constateert bioloog Arnold van Vliet van Wageningen Universiteit en mede-oprichter van Natuurkalender.nl. “Het natuurlijke systeem staat al onder druk door onze bevolkingsdichtheid, verzuring, vermesting en andere menselijke invloeden. Dat zorgt voor een enorme afname van wilde bloemen en insecten. Daarbovenop komt het klimaat dat razendsnel verandert. In vergelijking met dertig jaar geleden zitten we al in een klimaatzone van Midden-Frankrijk.

Planten en dieren kunnen dat hoge tempo niet bijhouden. Voor liefst veertig procent van onze huidige plantensoorten is Nederland rond 2080 te warm geworden. Meest kwetsbaar zijn plantgemeenschappen van zure vennen, hoogvenen en trilvenen, maar ook die van dennen-, eiken- en beukenbossen.  In de kruidachtige ondergroei van deze bossen leven veel koudeminnende soorten zoals het linnaeusklokje, zevenster, wolfsklauw en Zweeds kornoelje.”

Linaeusklokje, een koudeminnend plantje

Het linaeusklokje komt alleen nog voor in Drenthe, Zuidoost-Friesland, Vlieland en Terschelling.

Voor warmteminnaars stijgt juist de overlevingskans, maar ook zij houden het tempo niet bij. De temperatuurstijging gaat tien keer zo snel als dat de dieren en planten reageren door hun leefgebied naar noordelijker streken te verschuiven. Aanpassing kost nu eenmaal tijd. En daarnaast moeten er wel geschikte leefgebieden voorhanden zijn. Ook zijn veel soorten niet mobiel genoeg om een nieuwe leefomgeving te bereiken.”

Vruchten

Ook de hoeveelheid vruchten in de herfst wordt door klimaatverandering beïnvloedt. “Meerdere droge zomers achter elkaar zorgt ook voor minder vruchten in het najaar. Dieren die hiervan leven, lopen een groter risico”, vertelt Van Vliet. Zo verslechterde de voedselsituatie vorig jaar door grootschalige verdroging van bosbessen en andere planten. Bosbessen bevatten veel voedingsstoffen en worden door allerlei vogels en zoogdieren gegeten.

En het tijdstip wanneer de vruchten rijp zijn, is sterk vervroegd. “De eerste rijpe wilde lijsterbessen hangen tegenwoordig al half juli aan de boom”, weet Van Vliet. “60 jaar geleden was dat een maand later. Dat zien we ook bij andere bessendragers. Allerlei dieren beginnen hierdoor eerder met de aanleg van voedselreserves. Dat betekent wel dat ze later soms onvoldoende kunnen bijtanken.

kramsvogel

Kramsvogel snackt van lijsterbes.

Aan de andere kant zie je weer voedseloverschot. Zo heeft een beuk normaliter om het jaar beukennootjes. Maar door het langere groeiseizoen zien we dat beuken vanaf 2013 elk jaar beukennootjes aanmaken. Zwijnen profiteren daarvan. Hun aantal is flink gegroeid.”

Meebewegen

Klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, uitstoot van vervuiling, voor onderzoekers is het haast ondoenlijk om alle aspecten van de ecologische crisis en onderlinge verbanden daarvan haarfijn te ontrafelen.

Toch heeft Van Vliet een paar duidelijke aanbevelingen voor goed natuurbeheer. “Vergroot de variatie binnen natuurgebieden. Zorg voor meer overgangen, voor natte en droge plekken. Dat maakt het voor soorten makkelijker om mee te kunnen bewegen met veranderingen binnen een klein gebied. En kijk vooruit. Nu zijn natuurdoelen vaak gestoeld op het verleden, terwijl de omstandigheden sterk veranderen. Kijk of je ook nieuwkomers een plek kunt geven. En ga vooral door met het verbinden van natuurgebieden en een stevig klimaatbeleid.”

Wilco Meijers
logo