Nationaal Park Dwingelderveld staat vooral bekend vanwege de grote, stille heide. Het centrale deel van het park is zelfs het grootste aangesloten natte heidegebied dat nog over is in West-Europa. Tijdens deze gevarieerde en kindvriendelijke wandeling heb je kans op ontmoetingen met graafwespen, de schaapskudde van Ruinen en diverse vlinders, vogels en insecten. Paaltjes met rode pijlen geven de route aan.
Je bent nu op de Ruiner Es. Aan de ronde vorm kun je zien dat dit een oude es is. De landbouwgrond in het midden ligt iets hoger. Dat komt doordat hier al honderden jaren schapenmest en heideplaggen zijn gebruikt om de grond vruchtbaar te maken. Van de oude verdeling in kleine akkers van maximaal tien tot twaalf meter breed is bijna niets meer te zien. Toen kunstmest werd ingevoerd, konden boeren makkelijker grotere stukken land vruchtbaar maken. Tijdens de ruilverkaveling van Ruinen in de jaren tachtig werden de kleine stukken grond samengevoegd en opnieuw verdeeld. Een deel van de es kwam toen in handen van Natuurmonumenten. Die heeft de kleine percelen behouden. Op de smalle akkers wordt vooral rogge verbouwd. Dit graan groeit ook goed zonder kunstmest. Als er niet wordt gespoten, kunnen er verschillende akkerplanten groeien, zoals korenbloem, akkerviooltje en korensla. Voor patrijzen, kwartels en reeën zijn deze ouderwetse akkers een belangrijke plek om voedsel te vinden.
2. Zonder gegraas geen heide
De Wiltzang was vroeger een open heidegebied. Omdat er al lange tijd geen schapen meer grazen, zijn grote delen nu dichtgegroeid met gras en bomen. Op sommige plekken probeert Natuurmonumenten dit te veranderen. De organisatie haalt jonge berken en dennen weg. Daardoor blijft een deel van de heide zichtbaar. Ook profiteren veel insecten van de open ruimte, zoals vlinders, libellen en graafwespen. Aan de rechterkant van het pad, waar de zon schijnt, zie je overal verkleuringen in het zand. Deze plekken laten zien dat een graafwesp daar een ander insect levend heeft begraven als voedsel voor haar jongen.
3. Aan de rand van het zand
Bij de Leisloot, een oude afwateringssloot, zie je veel grillig uitgegroeide eiken. In het verleden legden de boeren vaak eikenbosjes aan omdat ze het hout goed konden gebruiken als brandstof en voor afrasteringspalen. De schors van eikentakken was veel geld waard aangezien het de grondstof leverde om leer mee te looien. De dichte eikenhakhoutbosjes boden ook een redelijke bescherming tegen het oprukkende zand. Tot vijftig jaar terug zag je hiervandaan de kale stuifzandheuvels van het Anserzand. Nu is het een geheuveld bos en heet dit gebied de Anserdennen. Als je deze route wil verlengen kan je even verderop de witte route volgen. Deze gaat ongeveer een halve kilometer rechtdoor naar het Theehuys Anserdennen. Vervolg na het Theehuys de witte route, die na ongeveer 2,5 km weer aansluit op de rode route.