Broedseizoen 2026 op Griend (blog 7)
Op Griend is het broedseizoen inmiddels afgesloten. De laatste bewakers hebben hun spullen gepakt en het is tijd om de balans op te maken. Welke soorten hebben er dit jaar op het eiland gebroed, hoeveel broedparen waren er en zijn er jongen uitgevlogen?

Broedvogels
Griend is van oudsher bekend als broedplaats voor sterns. In het verleden werden grote aantallen visdieven, noordse sterns en grote sterns vastgesteld. Wat de grote stern betreft kon het om meer dan 20.000 paren gaan. Maar we weten dat dit inmiddels verleden tijd is. De grote sterns komen in april kijken maar vestigen zich sinds 2022 niet meer, en de noordse sterns en visdieven zijn in aantal tot een historisch dieptepunt afgenomen. Toch begon 2026 hoopvol, want 65 paren visdieven vestigden zich op de traditionele broedplaats naast het huisje. Predatie door zilvermeeuwen leidde ertoe dat deze kolonie verlaten werd. Dit herhaalde zich tijdens twee nieuwe broedpogingen elders op het eiland. Een vergelijkbaar lot ondergingen 4 paren noordse sterns. Wel broedden er dit jaar relatief veel dwergsterns, maar ook van deze 27 paren werd geen enkel jong vliegvlug.
Voor de vogelwachters die het eiland al lang kennen is het geploeter van de sterns een pijnlijke gebeurtenis. Maar er zijn ook soorten die het goed doen. Dat zijn onder anderen de zilver- en mantelmeeuwen waar de sterns zo onder te lijden hebben. Het is dan even mentaal schakelen voor een vogelwachter, maar deze grote meeuwen zijn niet minder fraai en interessant dan de sterns. Bovendien gaan ze elders in ons land sterk in aantal achteruit. En dan zijn er ook nog de lepelaars die zich geleidelijk uitbreiden en ook nu weer veel jongen grootbrachten.

Lepelaar en Kleine mantelmeeuw, twee soorten die het op Griend uitstekend doen
Hoogwaterrustplaats
Naast een belangrijke broedplaats voor kustvogels is Griend ook van groot belang voor de vele duizenden trekvogels die hun voedsel op het wad vinden en tijdens vloed een veilige rustplaats nodig hebben. Maandelijks worden deze soorten op het eiland geteld. In juli was de broedtijd voor veel soorten alweer duidelijk voorbij. Er werden 48.000 vogels geteld ruwweg te verdelen in 11.500 meeuwen, 28.000 hoog-noordelijk broedende steltlopers en 8.500 overige soorten. De noordelijk broedende steltlopers werden aangevoerd door 10.500 kanoeten, gevolgd door 6450 bonte strandlopers en 1250 rosse grutto’s.
Hoewel 48.000 vogels een imposant aantal vormen, is dit meestal nog maar het begin van de topdrukte van de herfsttrek. Dan kunnen de aantallen oplopen tot meer dan 100.000 vogels en blijkt hoe belangrijk Griend als rustplaats voor wadvogels is.

Drieteenstrandlopers op hun rustplaats tijdens hoogwater
Onverwachte soorten
Als vogelwachter ben je altijd attent op onverwachte ontmoetingen met ‘bijzondere soorten’. Bijzonder betekent dan soorten die je niet direct op Griend verwacht omdat ze relatief zeldzaam zijn of omdat ze het eiland slechts kortstondig tijdens de trek bezoeken. In 2026 werden 33 van dergelijke soorten genoteerd, waaronder een zeearend en een purperreiger. Een belangrijke plaats voor onverwachte soorten is een wilgenstruik die niet ver van het bewakershuis staat. Het is de enige struik op het eiland, die geregeld wordt bezocht door kleine zangvogels. Dit jaar was de struik zelfs een zangpost voor fitis, tjiftjaf en grasmus, soorten waarvan we denken dat ze in de toekomst wellicht op het eiland zouden kunnen gaan broeden. Hetzelfde geldt voor de kleine karekiet en de rietgors die zingend in de zich steeds verder uitbreidende rietvelden werden gehoord.

Zingende kleine karekiet in de rietvelden rond het vogelwachtershuisje
Flora en vegetatie
Griend mag dan bekend zijn als vogeleiland, maar jaarlijks wordt ook intensief onderzoek gedaan naar de plantenwereld. Dit resulteert onder anderen in een floralijst (in 2026 werden 145 soorten vastgesteld, met heelblaadjes en valse voszegge als bijzonderheden). Daarnaast worden de veranderingen in de vegetatie bestudeerd in een groot aantal door paaltjes gemarkeerde proefveldjes van doorgaans 4x4 m (soms groter) die verspreid zijn over het gehele eiland. Dit onderzoek gebeurt al sinds ongeveer 1970 en geeft inzicht in lange-termijnveranderingen. Zo laat PQ16, gelegen op de zuidelijke strandwal duidelijk de invloed van erosie zien. Terwijl 2 van de paaltjes vorig jaar nog diep in het zand stonden, staan ze nu open en bloot, bijna een halve meter hoog, op het wad. Nog één spiesmelde doet mee in de vegetatieopname. Geheel anders is de situatie langs de rand van de noordelijke strandwal. Een zich verplaatsende zand- en schelpenbank heeft een plaatselijk PQ overspoeld. Omdat een strook van de originele vegetatie nog intact is en er nu een compleet nieuw pioniersstadium bij is gekomen is dit momenteel met 24 soorten het meest soortenrijke PQ. En dat in een proefvlak van slechts 16 vierkante meter.
Tekst Jan Veen en Gijs Bouwmeester

Vegetatieopname in proefvlak 31, noordelijke strandwal









