Ga direct naar inhoud
Nieuws

Onze helpers in de natuur

19 februari 2026 | Wilco Meijers

In veel grote natuurgebieden kom je ze tegen: runderen, paarden, pony’s, schapen of geiten. Leuk om te zien, maar horen ze hier wel thuis? En wat doen die grote planteneters eigenlijk voor onze biodiversiteit? Expert Fokko Erhart legt het uit. En we gaan op stap met onze boswachters en hun grote grazers.

Schotse hooglander

Eigenlijk zijn ze er nog maar kort, de Schotse hooglanders, galloways, koniks, IJslandse pony’s, taurussen en al die andere grote grazers die in de Nederlandse natuur rondlopen. Bosbouwers hielden hun bossen lange tijd graag verschoond van vee, de houtoogst stond voorop. Ook natuurbeschermers hielden zich in beginsel afzijdig; de natuur was gebaat bij rust. Na de Tweede Wereldoorlog veranderden de inzichten, zeker na de stormen van 1972 en 1973. Die hielden enorm huis in de aangeplante productiebossen. Er gingen steeds meer stemmen op voor een ander bosbeheer met meer natuurlijke processen. 

Begrazing met hoefdieren vormde daarbij een speerpunt. In Baronie Carendonck vond in 1972 een van de eerste experimenten plaats met IJslandse pony’s. Tien jaar later werden de eerste Schotse hooglanders losgelaten op de Veluwezoom. De uitkomsten werden positief beoordeeld. De grazers zorgden voor meer variatie in de natuur. Het bleek een startschot voor de komst van veel meer (halfwilde) hoefdieren, niet alleen runderen, paarden en pony’s, maar ook schapen en geiten. Vandaag de dag gaat het om vele tientallen rassen uit allerlei windstreken.

Bosolifant

Fokko Erhart, begrazingsexpert en hoofdauteur van het standaardwerk 'Begrazing in Nederlandse en Vlaamse natuurgebieden', is blij met deze nieuwkomers. “Grote planteneters komen van nature voor in Nederland. Zo’n tienduizend jaar geleden bevolkten grote hoefdieren zoals de bosolifant, wolharige mammoet, bosneushoorn, steppewisent, reuzenhert, het wilde rund en wilde paard onze streken. Onze huidige planten en dieren in onze natuurgebieden zijn geworden wat ze zijn onder invloed van die grote grazers. De brandnetels, de meidoorns, de jacobskruiskruiden, de wolfsmelken, de grassen en alle beestjes die daar mee samenleven, ze zijn allemaal gevormd door het samenspel met grote grazers."

"Evolutionair gezien vind ik het dus logisch dat er nu weer grote planteneters in onze natuur leven. Dat het tegenwoordig om allerlei verschillende rassen en kleurschakeringen gaat, vind ik niet zo belangrijk. Sommige natuurbeheerders hebben een voorkeur voor grazers die genetisch zo dicht mogelijk bij het oerrund of oerpaard staan, zoals de taurus of exmoor. Maar alle runderen en paarden stammen af van wilde voorouders. De genetica is niet heilig. Zo staat de Holstein, de welbekende zwart-witte Friese koe, genetisch dichter bij het oerrund dan de Schotse hooglander. Bovendien wordt maar vijf procent van wat een beest is en wat die doet, genetisch bepaald. De rest wordt bepaald door zogenaamde epigenetica, dat wil zeggen de omstandigheden waarin een dier leeft en hoe die zich daaraan aanpast."

Voor het natuurgebied maakt het volgens Fokko niet zoveel uit welk type rund of paard er staat. "Zo doen in principe allemaal hetzelfde: gras eten. En ze leven allemaal in kuddes, poepen allemaal lekker en gaan hun eigen gang. Technisch gezien is er dus weinig verschil of je nu voor een tauros, Sayaguesa of het Nederlandse heidekoetje kiest, het zijn allemaal koeien. De keuze hangt dan vooral af van wat er beschikbaar is en persoonlijke voorkeuren. De uitstraling van de rassen is dan wel weer belangrijk. Al die begrazingsgebieden worden door mensen bezocht. En de grazers springen voor veel mensen in het oog. Ze kunnen helpen om het draagvlak voor een gebied te vergroten. Met meer draagvlak kun je het publiek meenemen waarom het belangrijk is om te begrazen, met welke grazers je dat doet en welke keuzes bij het beheer van de grazers gemaakt worden.”

Fokko Ekhart

Begrazingsexpert Fokko Ekhart

Patiënt helpen

Fokko beschouwt begrazing op veel plekken als een van de medicijnen voor herstel van onze natuur. “De Nederlandse natuur is de afgelopen decennia een soort patiënt geworden door allerlei oorzaken. Denk aan stikstof, klimaatverandering, versnippering, verslechtering van de waterkwaliteit, verhoogde recreatiedruk enzovoort. Die patiënt moet je daarom verzorgen, opereren, helpen. Begrazing kan een van de middelen zijn die de patiënt goed kunnen doen.” 

Dan moet je wel goed kijken hoe je dat middel inzet, want begrazing is complex. De exacte effecten zijn niet altijd te voorspellen. “Het is een balans tussen wat er wordt gegeten en wat er bijgroeit. Als er meer wordt gegeten dan er bijgroeit, wordt het landschap opener. Dat moet je over een langere periode, soms tientallen jaren, bekijken. Voorbeelden van gebieden waar meer werd gegeten dan er groeide, waren de Oostvaarderplassen met verschillende grote grazers, de Amsterdamse Waterleidingduinen waar veel damherten leefden en het Deelerwoud waar in een bepaalde periode niet meer op herten werd gejaagd. Dat leverde soms heftige confrontaties op tussen voor- en tegenstanders van ingrijpen. Door die confrontaties is het roer in deze gebieden inmiddels om. Of je daar nu blij mee bent of niet, het heeft ons geleerd dat begrazing bosvorming of vergrassing op de heide kan terugdringen.”

Galloways

Galloways

Vaak is het ideaal een halfopen landschap. Fokko: “Een mooi landschap dat enorm soortenrijk is, waar mensen van genieten. Daar vind je de meeste vlinders, vogels en plantensoorten, er gebeurt van alles.” Daarvoor moet je als beheerder wel aan de knoppen blijven draaien, vertelt hij. “Soms wat koeien eruit, soms andere grazers erbij, het begrazingsgebied vergroten of verklei ­ nen, het is een kwestie van voortdurend die balans vinden. Het is ook een kwestie waar je met begrazing op wilt inzetten. Wat is de kracht van je gebied? Wil je meer vlinders, of juist slangen of bepaalde vogels, dan moet je het begrazingsbeheer daarop aanpassen.” 

Dat blijkt lastig. Elk gebied is anders, elk jaar is anders. “Je kan galloways in het rivieren ­ gebied niet vergelijken met galloways in de duinen. De omstandigheden zijn heel verschillend. Maar beide gebieden kunnen baat hebben bij begrazing. De kracht zit in het natuurlijke proces. Een koe gedraagt zich altijd anders dan een beheerder. Een koe eet soms dit, soms dat, slaat plekjes over, gaat ergens liggen, poept her en der enzovoort. Daardoor ontstaat heel fijnmazig variatie in de natuur met allerlei dwarsverbanden tussen planten en dieren."

De biodiversiteit wordt verder vergroot als je ook meer diversiteit in grazers hebt, blijkt uit onderzoek. Fokko: “Dat komt door verschil ­ len in terreingebruik en graasgedrag. Een koe eet wat langer gras, terwijl paarden het gras met hun tanden millimeteren. Vaak houden paarden zulke plekken ook kort. Een rund kan vanwege zijn magensysteem ook stug gras goed herkauwen, al hebben alle grazers een voorkeur voor mals gras. Pas als dat op is, wijken ze uit naar taaier gras of houtige gewassen. Dat gebeurt vooral in de winter bij voedselschaarste. Door de jaren heen krijg je zo een gevarieerd begraasd landschap. Dat is een kwestie van een lange adem. De natuur is gebaat bij continuïteit."

Konik

Paarden kunnen gras met hun tanden millimeteren.

Dames op leeftijd

Op natuureiland Tiengemeten in het Haringvliet zijn Schotse hooglanders al bijna twintig jaar een vertrouwd beeld. De grazende giganten helpen mee met de omvorming van het eiland van landbouwgrond naar natuur. Zonder hen zou het eiland snel in een groot wilgenbos veranderen, vertelt boswachter Anne Los. “Veel soorten zouden dan verdwij ­ nen. De circa 140 hooglanders kunnen bijna overal op het eiland vrijelijk rondbanjeren en eten bij elkaar heel wat groenvoer weg. Niet alleen grassen, ook opkomende bomen en struiken. Daardoor blijft het eiland open en aantrekkelijk voor allerlei vogels en behouden we planten als rode ogentroost, kattendoorn en goudknopje.”

Hoewel de dieren in volledige vrijheid leven, vergt het beheer van de kudde de nodige aandacht. Zo was er in het begin een gemengde kudde. De kalveren die daaruit voortkwamen, leverden veel administratie op. Anne: “In Nederland gelden strenge regels. Je moet in kaart brengen welk kalf van wie is om inteelt te voorkomen. Dan moet je DNA -monsters nemen en ze oormerken. Daarvoor vangen we ze een keer per jaar."

Schotse hooglanders op Tiengemeten

Schotse hooglanders op Tiengemeten

Wat zorgt voor minder administratie en meer rust in de kudde, was de beslissing om de mannen eruit te halen. “Enkel dames geeft meer rust in de groep. Koeien zonder kalf zijn ook rustiger, ze hoe ­ ven geen jong te beschermen.” Maar ook dat bleek niet ideaal. Veel dames raakten op leeftijd; hooglanders worden gemiddeld 18 tot 20 jaar oud. Stapsgewijs werden afge ­ lopen jaren nieuwe koeien aan de kudde toegevoegd. 

Toch bleek uit onderzoek dat de begrazingsdruk op Tiengemeten nog te laag was. “De verouderde kudde hooglanders kan de aanwas van nieuwe vegetatie nauwelijks bijbenen”, vertelt ecoloog Noah de Croock die het onderzoek begeleidde. Gelukkig kwam er een kudde koniks bij. Een welkome aanvulling, vindt Noah. “Paarden grazen de vegetatie korter af dan koeien en gedragen zich ook anders. Ze trekken meer in kleine groepjes rond en zijn nieuwsgieriger; ze komen op plekken waar de runderen niet of nauwelijks komen. Daarmee wordt het eiland diverser en op meer plekken begraasd. Zo vullen de runderen en paarden elkaar aan. En ze kunnen goed naast elkaar leven. De 38 koniks zijn inmiddels gewend aan hun nieuwe leefomgeving, er zijn al elf veulens geboren. Ook het effect van hun graaswerk is zichtbaar. Samen met de hooglanders en bevers op Tiengemeten zijn het echte landschapshervormers."

Heideschapen

Op het Dwingelderveld is het eeuwenoude plaatje van schapen op de hei nog altijd zichtbaar. De kuddes van Stichting Het Drentse Heideschaap (circa 950 dieren) en die van Natuurmonumenten (circa 250 dieren) zorgen ervoor dat de uitgestrekte heidevlakte open en gevarieerd blijft. Beide kuddes hebben hun eigen schaapskooi aan de rand van het gebied en werken volgens een uitgekiend begrazingsplan dat ruim duizend hectare bestrijkt. 

Drentse heideschapen

Drentse heideschapen in Nationaal Park Dwingelderveld.

Dat lukt aardig, want schapen kunnen enorm veel vegetatie wegwerken. Bij voorkeur de sappigste delen van planten, waaronder jonge heide, gras en kruiden, maar ook voedselarme grassen, dorre heide of opkomende boompjes worden gegeten. Toch kunnen de wollige viervoeters de vergrassing nauwelijks bijbenen. 

Boswachter Hans Krol wijst op een veld met goed ontwikkelde heideplantjes. “Een paar jaar terug was dit nog een dichtbegroeide grasmassa. De vegetatie stond op borst ­ hoogte, onbegaanbaar voor mens, schaap en herdershond.” Hans versterkte de begrazing daarop met de komst van veertig Franse vleeskoeien. “Runderen zijn geschikter voor het ruige werk. Ze zijn groter en zwaarder en gaan ook hoog gewas te lijf. Dat bleek wel toen we ze hier aan het werk zetten. De ruigte werd door tien koeien in rap tempo gekortwiekt. Daarna konden de schapen dit stuk weer begrazen. En kijk, de heide staat er weer prachtig bij. Zo ondersteunen de runderen in wezen het werk van de schapen. Er lopen nu dertig runderen vrij rond, een tiental zetten we in op specifieke, tijdelijk omrasterde plekken waar schapen moeilijk uit de voeten kunnen.” 

De boswachter bekijkt voortdurend de kansen om het Dwingelderveld gevarieerd te houden. “Het Dwingelderveld lijkt op een platte pannenkoek. Om die voor planten en dieren aantrekkelijk te houden, is variatie heel belangrijk. Dat bereiken we onder door meer verspreid over de heide hopen maaisel of stobben neer te leggen. Soms trekken we ook een dode boom de hei op. Dergelijke plekken fungeren als stapstenen in het gebied voor allerlei planten en dieren. Reptielen zoals de gladde slang of levendbarende hagedis schuilen er graag, er broeden vogels en er ontkiemen planten zoals braam. De vruchten en nectar van de bloemen daarvan zijn weer voedsel voor bijvoorbeeld heidehommels en vlinders zoals het groentje.” 

Hans verzamelt daarnaast met zijn team zaden van bijzondere planten rondom de hei om die elders weer uit te strooien. Met een soort kruimeldief wordt zaaigoed vergaard van gele komposiet, valkruid of klokjesgentiaan, zeldzame planten waarvan het verspreidingsgebied zo wordt versterkt. Ook de schapenmest komt van pas, net zoals vroeger in het aloude potstalsysteem. Net als toen wordt de mest gebruikt voor akkers die verspreid over het Dwingelderveld liggen. 

Zo blijft Hans met zijn team inventief om dit oude cultuurlandschap met al zijn facetten te behouden, ondanks problemen zoals de overmaat aan stikstof en de onttrekking van grondwater in dit gebied. De komst van de wolf gaf ook de nodige beroering, maar de boswachter heeft het roofdier allang omarmd.. “We moeten ons daarop aanpas ­ sen. In het begin waren er incidenten met schapen, daar hebben we van geleerd. De kuddes worden nu beschermd door zeer waakzame kuddebeschermingshonden en de schapen staan ’s nachts achter wolfwerende rasters. Dat werkt goed; de wolven richten zich nu hoofdzakelijk op wilde prooien zoals ree en haas. Ik zag er onlangs eentje struinen, machtig om te zien. Ze horen absoluut in dit ecosysteem thuis, net zoals de kraanvogels, tapuiten, adders, graafwespen, gentiaan ­ blauwtjes en vele andere planten en dieren in dit gebied. Dankzij de grote en kleine grazers houden we dit ecosysteem levend.”

Landgeiten op cursus

Ook in de begrazingswereld doen nieuwe technieken hun intrede. Denk aan de inzet van drones die kuddes controleren of data verzamelen van begrazingsgebieden. Of schapen die gevolgd kunnen worden met gps dankzij zenders die de ze dragen. 

Een andere noviteit is de inzet van virtuele rasters. Dat gebeurt onder meer in de ENCI-groeve op de Sint-Pietersberg, dat naast Mergellandschapen grotendeels begraasd wordt door Nederlandse landgeiten. Geiten eten graag houtige gewassen zoals jonge abelen en vlinderstruiken die overal in de groeve opschieten en inheemse planten verdringen. Ideale beheerders dus voor de groeve. Maar geiten zijn lastig te managen. Het zijn meesters in ontsnappen uit omheiningen. Bovendien is het 88 hectare grote terrein moeilijk te voorzien van een goede omheining. De oplossing werd gevonden in een Noorse technologie die gebruik maakt van virtuele rasters. De geiten dragen een halsband met een GPS-functie die signalen afgeeft wanneer een dier buiten het begrensde gebied dreigt te gaan. 

Het systeem maakt gebruik van het leervermogen van geiten. Tijdens een training wennen ze aan de halsband en het geluid dat wordt uitgezonden wanneer ze een fysiek hek naderen. In verdere stappen wordt het hek langzaam afgebouwd tot er alleen nog een virtueel hek is die de geit herkent door het geluidsignaal. Na een succesvolle proefperiode loopt er nu een goed getrainde kudde van circa 100 geiten in de ENCI-groeve.

Nederlandse landgeiten in de ENCI-groeve.

Nederlandse landgeiten in de ENCI-groeve.

Houd afstand

Onze grazers lopen vrij rond. Ze zijn meestal rustig, maar soms ­­reageren ze onvoorspelbaar. Houd daarom minimaal 25 meter af - stand en doorkruis een kudde nooit. En houd de hond aan de lijn. Liggen of staan er grazers op het pad? Loop er dan met een grote boog omheen.

Wilco Meijers