Op de bres voor bijen en andere bestuivers
Het gaat niet goed met onze bestuivers, zoals bijen, vlinders en zweefvliegen. En minder bestuivers betekent minder bloemen. Gelukkig valt daar iets aan te doen, en jij kunt meehelpen.

Je kent het verhaal wel, dat van de bloemetjes en de bijtjes. De bloemen lokken de bijen met nectar en stuifmeel. De bijen smullen daarvan en komen onder de stuifmeelkorrels te zitten. Op weg naar de volgende bloem helpen ze zo mee met de bestuiving van bloemen. Een wonderlijke samenwerking, al miljoenen jaren oud. Alleen is die samenwerking flink verstoord.
Eerst maar eens de treurige trend benoemen. Het gaat niet goed met onze dierlijke bestuivers. Dat zijn insecten zoals bijen, zweefvliegen, vlinders, wespen, motten en kevers. Veel planten, struiken en bomen zijn voor hun bestuiving afhankelijk van deze dieren. Hetzelfde geldt voor talrijke landbouwgewassen en fruitsoorten. Maar door allerlei factoren - gebruik van pesticiden, overmaat aan stikstof, eenvormige inrichting van het landschap, versnippering van leefgebieden, achteruitgang waterkwaliteit - gaan de populaties van insecten al jaren achteruit. Zo staat 55 procent van de 360 soorten wilde bijen in Nederland op de Rode Lijst; ze zijn bedreigd, kwetsbaar of zelfs verdwenen.
Veelvormig
Dat gaat bijenexpert Linde Slikboer aan het hart. Van jongs af aan is ze gefascineerd door insecten en bijen in het bijzonder. “Voor een kind dat van natuur houdt, zijn insecten een heel laagdrempelige groep om je mee bezig te houden. Ze zijn overal, je kan ze zelf vangen en van dichtbij bekijken. Als je een bij onder de microscoop houdt, schrik je er bijna van hoe mooi zo’n dier is. En hoe veelvormig, elke bijensoort is weer anders; in een gemiddelde tuin komen al tientallen soorten voor. Ze hebben ook een interessante leefwijze. Bijen hebben echt een binding met een specifieke plant of een bepaald gebied.”

Bijenexpert Linde Slikboer
Linde kreeg steeds meer lol in het determineren, voerde haar eigen bijenonderzoek uit in de gemeente Albrandswaard en ontdekte zelfs een bloedbij die in Nederland als uitgestorven te boek stond. Inmiddels werkt ze alweer zeven jaar als bijenspecialist bij EIS Kenniscentrum Insecten in Leiden.
Ze roemt de rol van bestuiving die bijen en hommels vervullen. “Van de bestuivers zijn zij het meest efficiënt. Hun hele lichaam is gericht op het vervoeren van stuifmeel. Ze hebben speciale haren waar de stuifmeelkorrels aan blijven plakken. Die haren zijn statisch geladen, waardoor stuifmeelkorrels er echt naartoe worden getrokken. Veel plantensoorten zijn van hen afhankelijk. Andere insecten doen hun bestuivingswerk min of meer toevallig, al zijn die ook belangrijk. Sommige planten bloeien bijvoorbeeld alleen ’s nachts. Die zijn voor hun bestuiving afhankelijk van nachtvlinders of motten. En je hebt ook bloemen waar bijen niet van houden, maar die bijvoorbeeld wel door zweefvliegen worden bezocht.”

De klokjesdikpoot vliegt speciaal op klokjes en komt vooral op hogere zandgronden, maar wordt ook in tuinen gezien.
Piramide
Door de afname van bestuivers komt de oeroude wisselwerking tussen plant en dier echter in het gedrang. “Wat dit voor de natuur betekent, is totaal nog niet te overzien, maar er zijn al aanwijzingen dat plantensoorten die van dierlijke bestuiving afhankelijk zijn, harder achteruitgaan dan planten die bijvoorbeeld door de wind worden bestoven”, vertelt Linde. “Ik was er in het begin nog sceptisch over, maar inmiddels maak ik me grote zorgen. Wat als bestuiving bijna tot stilstand komt en ecosystemen echt instorten? Als je morrelt aan de piramide van het leven, zijn de effecten niet te overzien. Die kunnen groot zijn, denk aan ziektes, plagen of groot verlies van biodiversiteit.”

Linde Slikboer op een dijk met bijen.
Geleidelijke overgangen
Zover hoeft het niet te komen. De Europese Natuurherstelverordening schrijft voor dat de neergaande trend van bestuivers tegen 2030 wordt omgebogen. Om dit te bereiken moet Nederland uiterlijk 1 september 2026 een nationaal herstelplan bij de Europese Commissie indienen. Natuurmonumenten en andere natuurorganisaties hebben al aangegeven wat nodig is voor een goed plan. Voor bestuivers is veruit het belangrijkste het terugdringen van schadelijke stoffen in natuurgebieden, het agrarisch gebied en in de stad. Ook algemeen natuurherstel kan veel bijdragen. Als we alles op alles zetten is herstel mogelijk.
“Je hebt factoren die direct effect hebben op bestuivers, zoals vervuiling, gebruik van pesticiden en de overmaat aan stikstof. Het zou bestuivers enorm helpen als we die effecten fors kunnen terugdringen. Daarmee staan we de grootste slag”, aldus Linde.
“Maar ook de inrichting van het landschap is belangrijk. Wat er van de groene openbare ruimte over is, wordt voor insecten meestal ongunstig ingericht en beheerd. Vaak is het erg eenvormig, met overal dezelfde soorten. Gras, boom, gras. Meer is het meestal niet. Makkelijk in het onderhoud, maar de meeste insectensoorten vinden er geen leefruimte. Die zijn juist gebaat bij geleidelijke overgangen, met variatie in hoogte, structuur en soorten. Plekken waar de wind minder vat op heeft, waar zonnestralen de bodem bereiken en waar inheemse planten, struiken en bomen bloeien.” Daar valt volgens Linde veel winst te behalen.
Ook natuurbeheerders kunnen insectvriendelijker handelen. Meer inzetten op kleinschalig beheer bijvoorbeeld, en minder maaien. “Vroeger werd gras geoogst met zeis en hark, nu worden bijna overal zware machines ingezet. Dat is funest voor insecten.” Linde is überhaupt geen fan van maaien. “Maaien wordt vaak ingezet om land te verschralen. Specifieke planten hebben daar baat bij, maar door te werken met zware maaimachines ontstaat er eenvormigheid. Ik zie liever een gelaagd landschap met een grote soortenrijkdom, zoals door begrazing ontstaat. Mogelijk verlies je zeldzame flora als je niet regelmatig maait, maar krijg je er wel een stabieler en rijker ecosysteem voor terug.”

Snorzweefvlieg nadert klaproos.
Cultuurverandering
Ook van inzaaien is Linde geen voorstander, al kan dat tijdelijk voor een bloemenzee zorgen. “Ik ben veel meer voor het spontaan laten ontstaan van een bloemrijke vegetatie door kleinschalig beheer. Dat biedt veel bestuivers een thuis. Alleen al onder wilde bijen is de rijkdom aan soorten enorm, met elk hun eigen leefwijze en voorkeur voor leefomgeving. Sommige nestelen bovengronds, andere gebruiken oude kevergangen in dood hout, weer andere nestelen in lege stengels of gebruiken het nest van andere bijen. Veel bijensoorten zijn afhankelijk van een bepaalde plantenfamilie of plantensoort of gebonden aan een specifieke grondsoort, maar je hebt ook generalisten. Daarom is variatie zo belangrijk. Eigenlijk is er een cultuurverandering nodig voor de omgang met ons landschap. Veel minder aangeharkt en opgeruimd. Daar zijn we in Nederland best extreem in, maar dat kunnen we ook weer afleren. Laten we het rommelige landschap koesteren, met plekken waar de natuur het overneemt van de menselijke efficiëntie.”
Tuinplanten
Wat voor landschapsbeheer geldt, geldt ook voor je eigen tuin, vindt Linde. Zorg voor variatie. “Een insectenhotel is leuk en educatief, maar ze worden vooral gebruikt door algemeen voorkomende soorten. De zeldzame soorten redden we er niet mee. Maar als je er een wilt, maak ‘m dan bij voorkeur zelf, met veel langwerpige holtes waarin bijen kunnen nestelen. Ik heb er zelf ook een, vooral om bijen van dichtbij te kunnen zien. Maar belangrijker voor bestuivers is het toelaten van meer spontaniteit. Durf planten te laten staan die we onkruid noemen. Dat zijn misschien precies soorten waar bijen op afkomen."
Als je toch tuinplanten koopt, koop dan biologisch, adviseert Linde. "En het liefst streekgebonden plantensoorten, al is dat in de praktijk best lastig. In algemene zin zijn klavers geliefd bij bijen, maar ook soorten van de composietenfamilie, waar de paardenbloem toe behoort. En bloeiende struiken doen het altijd goed, zoals de sleedoorn en de meidoorn. Wil je toch gekweekte soorten bij een tuincentrum kopen, dan zijn klokjes een optie. Er zijn bijen die gespecialiseerd zijn op klokjes. Ook ezelsoor is een leuke plant. Daar zit de grote wolbij graag op. Die knipt met zijn kaken de haren af van de plant om ze mee te nemen naar het nest. Ze zijn daarnaast dol op het stuifmeel van ezelsoor. Maar ook het madeliefje en de dovenetel trekken bijen. Hoe meer bijen er zijn, hoe meer bloemen zich kunnen verspreiden.”
Bloeiboog
Boswachter Niels Visker kan zich daarin vinden. Net als Linde omarmt hij de liefde voor bijen. Hij volgde bijencursussen en leerde veel over hun leefwijze. “Ik was bovendien een tijdje aan huis gebonden door de ziekte van Lyme en bekeek bijen veelvuldig door de microscoop. Het wakkerde mijn bijenfascinatie verder aan. Die kennis komt nu van pas bij mijn werk als boswachter. Bij de inrichting van natuur en werkzaamheden in het veld let ik altijd op voldoende leefruimte voor bestuivers.”
Boswachter en bijenliefhebber Niels Visker.
In het beekdal van de Chaamse Beek (De Baronie), wijst hij op een steilrand waarin talrijke gangetjes zijn geboord. “Het werk van graafbijen. Deze wal is mede voor hen opgeworpen zodat ze zich kunnen voortplanten.” Vlakbij ligt ook een oeverzwaluwwand die eveneens door graafbijen wordt gebruikt. “Oeverzwaluwen zijn eigenwijze beesten, je weet nooit of ze komen of niet. Afgelopen zomer bleven ze weg, maar het was hier wel een gezoem van jewelste. Talrijke bijen broedden in de wand en vonden voedsel op de akker verderop.”
De natuurakker wordt door Natuurmonumenten beheerd en staat in het groeiseizoen vol met een mengeling van gewassen zoals rogge, triticale (kruising van tarwesoorten en rogge), mergstamkool, luzerne, klaver, huttentut en akkerflora. “We beheren de akker speciaal voor insecten en akkervogels. Dankzij de variatie van planten ontstaat er een mooie bloeiboog; vanaf het prille voorjaar tot in de nazomer bloeit er altijd wel iets en is er dus voortdurend nectar of stuifmeel voorhanden.”

Bleekgele weekschildkever
Braam
Enkele kilometers verderop tuurt Niels over kruidenrijk grasland waar de Chaamse Beek doorheen slingert. Het perceel is met enkele bijbehorende stukken ruim anderhalf jaar geleden aangekocht. “Het bestond destijds uit extensief beheerd, vrij eentonig grasland. Dat zijn we geleidelijk aan het omvormen tot vochtig hooiland bij de beek. Op de wat hoger gelegen gronden richten we ons op kruidenrijk grasland en schraal akkerland, landschapstypes waarin bloemen volop de ruimte krijgen. En we hebben de houtwallen en singels opgeknapt, onder meer met hulp van scholieren die struiken en bomen hebben geplant. Denk aan bloeiende struiken zoals Gelderse roos, hondsroos, meidoorn, kardinaalsmuts en vlier.”
Zelfs braam, een snel woekerende plant dankzij de neerlag van stikstof, is hier aangeplant. “Vanwege de boomkikker”, weet Niels. “Die gebruikt braamstruwelen graag als schuilplek en om zich te kunnen verplaatsen. Zo verbinden we hun leefgebiedjes met elkaar. Bovendien zijn bramen ook belangrijk voor bepaalde soorten wilde bijen.”
Niels roemt daarnaast de aanwezigheid van dood hout. “Vooral staand dood hout dat door de zon wordt beschenen. Dat is voor talrijke insecten het summum, zoals houtbijen die zich in het hout nestelen. Vandaar dat ik wel eens een boom ‘ring’, door het rondom wegzagen van de schors en het cambium (weefsellaag tussen bast en hout) sterft de boom langzaam af en wordt het een leefgebied voor insecten.”
Bij de houtwal vliegt iets weg, Niels is te laat om het dier vast te leggen. “Ik probeer elk insect dat ik zie te fotograferen en te determineren. Dat valt niet mee hoor, er bestaan alleen al duizenden soorten kevers. Vandaar dat mijn focus op bijen ligt, het hele spectrum van onze insectensoorten overzien is bijna niet te doen. Ik ben wel benieuwd wat hier over een paar jaar allemaal voorkomt. De insectenweelde van vroeger, zoals in de jaren vijftig, krijgen we denk ik niet meer terug. Maar ik geloof wel in herstel. Dat blijkt wel als ik vuurvlinders of blauwtjes zie fladderen op eerder herstelde plekken. Echte lichtpuntjes, daar houd ik me aan vast.”
Red bijen en vlinders. Geef ze meer ruimte in je tuin, buurt of balkon.









